Vue botanique
Zoals de naam het al zegt, was de Botanique oorspronkelijk de nieuwe plantentuin van Brussel. Na de inlijving van België bij Frankrijk in 1795, werd er voor het eerst een plantentuin aangelegd langs de oudste omwalling van Brussel. De verzameling van inheemse en exotische plantensoorten wekte al snel bij iedereen interesse. Wegens plaatsgebrek moest men de tuin echter elders uitbreiden.

En zo komt het dat vijf notabelen, allen bezeten van plantkunde, in 1826 een mooi bebost stuk grond wisten te bemachtigen. Hier was voldoende frisse lucht en een goede watervoorziening voorhanden, en op deze plek ontstond dan ook een geheel dat de plantencollecties onderdak bood.

De totstandkoming van het gebouw van de Botanique had heel wat voeten in de aarde. Drie personen, heen en weer getrokken tussen grote ambities en financiële moeilijkheden, zouden in deze kwestie een hoofdrol spelen: de architecten Tieleman - François Suys, François Gineste en Jean - Baptiste Meeus - Wauters.

Aan architect Tilman - François Suys zouden plannen en kostenramingen voor de indeling van de tuin gevraagd zijn, maar uiteindelijk was het het plan van Petersen dat aan het bestuur werd voorgelegd.

Aangezien de exploiterende maatschappij niet kon leven van de hemelse dauw, kwam er vanaf 1835 een plantenhandel in de oranjerie, en op de kelderverdieping werden groenten geteeld. Hier werd trouwens het witlof ontdekt.

Helaas! Ondanks deze gastronomische ontdekking zou de Botanique nog heel wat tegenslagen kennen .

De periode van 1837 tot 1841 werd gekenmerkt door een groot aantal problemen. De financiële moeilijkheden baarden de maatschappij meer en meer zorgen. Onder druk van de schuldeisers zag de maatschappij zich genoodzaakt haar commerciële verrichtingen op te voeren, en dit ten nadele van het wetenschappelijke onderzoek. Om deze herhaalde crisissen het hoofd te bieden, kwam men tot een aantal oplossingen waardoor de greep van de regering op de maatschappij versterkt werd. In 1867 wou de Stad Brussel de belangrijkste aandeelhouder worden van de maatschappij. Deze zou de Stad toelaten op een vrij korte termijn haar verkavelingsproject uit te voeren of liever, om het terrein te gebruiken voor de bouw van een Paleis voor Schone Kunsten. De kwestie zou actueel blijven tot in 1870, het jaar waarin de staat de tuin terugkoopt.

Pas helemaal op het einde van de 19e eeuw werden de beeldhouwwerken voor de Botanique besteld en gemaakt.

De tuin lag de Brusselaars nauw aan het hart, want het was dé plaats bij uitstek voor een dagelijkse wandeling of een uitzonderlijk feest. De stille getuigen van het succes van deze 'publieke tuin' zijn overvloedig. Als wetenschappelijke instelling "behoorde deze tuin tot de belangrijkste van de wereld". Al deze successen werden met de nodige luister gevierd ter gelegenheid van de 40e verjaardag van de overname door de staat in 1910.

Het voortbestaan van de Botanique werd echter alweer bedreigd.

In 1935 werd de plantentuin niet gespaard door de werken aan de Noord - Zuidverbinding : de idee werd geopperd om de stichting over te brengen naar een ruimer terrein. Het probleem van de herindeling of de herinrichting van de gebouwen en van de tuin stelde zich. Bij deze onzekere toekomst voegde zich ook nog een ander project : de bouw van een grote openbare bibliotheek in Brussel.

Het terrein ontsnapte dus net aan de volledige en ongenadige afbraak, maar was daarom nog niet gered.

In oktober 1938 werd beslist de plantentuin te verplaatsen. En gelukkig maar, want de stedelijke modernisering ging verder.

Uiteindelijk werd het gebouw gered van de leegstand dankzij de beslissing van het Ministerie van de Franse Gemeenschap om het te gebruiken als Cultureel Centrum.

Een laatste element in de geschiedenis van de Botanique is de irissentuin, die het hoge gedeelte van het park verfraait, en geopend werd in 1995.

Back to top